Circulaire transitie kan niet zonder meer ruimte voor industriegebieden

Industriegebieden worden teveel beschouwd als vies, hinderlijk en vervuilend, terwijl deze gebieden cruciaal zijn voor het faciliteren van de circulaire transitie. Als we zo doorgaan, is er volgens Cees-Jan Pen (Fontys) geen ruimte meer over voor het ruimtelijk faciliteren van de circulaire transitie en lopen we tegen dezelfde grenzen aan waar we nu rond netcongestie tegenaan lopen. 

Het imago van menig industriegebied zoals De Hurk in Eindhoven, De Rietvelden in Den Bosch, TPN West in Nijmegen, Lage Weide Utrecht, Havengebied Amsterdam, de Schieoevers in Delft, Achtersluispolder Zaanstad is ten onrechte te negatief. Begrijpelijk is dat de berichtgeving over onder andere Tatasteel en Chemours en hoe wordt omgegaan met omwonenden hier aan bijdraagt. Met verbazing lees ik alleen over de te eenzijdige berichtgeving over hinder, overlast en vervuiling zonder oog voor de rol van deze gebieden als grote werkgevers, maar ook als locatie waar nog wel plaats is voor circulaire bedrijven en activiteiten.

Neem ondernemers serieus

Natuurlijk moeten bedrijven zoals asfaltcentrales, recyclingfabrieken, puinbrekers, afvalverbranders, betoncentrales zich houden aan wetten, regels en vergunningen. Er moet hard en streng gehandhaafd en geïnvesteerd worden in het verlagen van de negatieve impact en overlast van dit soort vaak onderschatte bedrijfsactiviteiten voor hele bedrijfsketens. Neem ondernemers- net als burgerparticipatie echt serieus en praat met in plaats van over ondernemers. Betrek en praat met ondernemersverengingen, parkmanagers en betrokken ondernemers.

Er zal snel een einde moeten komen aan de begripsverwarring rond de nieuwe economie en de rol van zogenaamde vieze bedrijven hierbij. In menig industriegebied wordt gewerkt aan de circulaire economie van morgen. Wat je helaas wel vaker ziet bij veel te negatieve berichtgeving over bedrijventerreinen, is dat het belang van de vele duizenden werknemers en honderden bedrijven nauwelijks aan bod komt. Deze gebieden bieden werk aan alle lagen van de bevolking en alle opleidingsniveaus. De vaak meer industriële en maakbedrijven bieden werk, omzet en opdrachten en daarmee werkgelegenheid voor meer dienstverlenende en verzorgende bedrijven in stad en regio. Het gaat dus ook om vele indirecte banen.

Onvoldoende afstemming

Grootste misvatting is echter dat bedrijvigheid in industriegebieden geen betrekking hebben op de nieuwe economie, terwijl deze gebieden vaak de enige plaats zijn waar nog ruimte is voor circulaire activiteiten en bedrijven. Het is juist de circulaire maakkamer van de nieuwe economie. Het is verbazingwekkend dat regelmatig lokaal bestuurlijke uitspraken worden gedaan om in deze gebieden op termijn transformatie naar met name wonen en voorzieningen mogelijk te maken en een einde te maken aan de meest vervuilende, hinderlijke en overlastgevende bedrijven.

Meest opmerkelijk is hoe makkelijk en algemeen wordt gesproken over alternatieve locaties, waar deze bedrijven dan eventueel heen moeten verhuizen. Enerzijds wordt vaak nauwelijks ingegaan wat deze bedrijven beweegt en aan welke criteria alternatieve bedrijfslocaties moeten voldoen. Anderzijds lijkt van serieuze regionale of bovenregionale afstemming nauwelijks sprake. Helaas kom ik tot de ontnuchterende over-de-schutting-kiep-constatering dat ze maar ergens in de regio een plek moeten krijgen. De praktijk is dat omliggende gemeenten en regio’s bepaald niet staan te springen om dit soort Nimby-bedrijven. 

Behoefte aan milieuruimte

Er lijkt een chronisch gebrek aan kennis over het belang van dit soort gebieden voor het regionale vestigingsklimaat en de nieuwe (circulaire) economie in het bijzonder. Het stempel overlast, vies en vervuilend zet mensen op het verkeerde been. Bedrijfsactiviteiten die herrie maken, ruiken, (milieu)ruimte innemen en stof doen opwaaien, maken namelijk nadrukkelijk deel uit van de nieuwe economie. Ze scheppen zelfs de randvoorwaarden voor de circulaire transitie, waarin producten retour komen, uit elkaar worden gehaald en tot nieuwe producten verwerkt worden. Een onderdeel van die nieuwe economie is de behoefte aan milieuruimte. Daar is een tekort aan. Als er één ding duidelijk is, dan is het dat milieuruimte van strategische waarde is en dat je die moet koesteren. Een regio die kiest voor de nieuwe economie moet de beschikbare milieuruimte behouden, maar het liefst vergroten.

Een aanvullend punt is dat de waarde van milieuruimte dichtbij waar producten worden geproduceerd en geconsumeerd (zoals op industrieparken) nog hoger is omdat bijvoorbeeld de impact van het slepen met spullen dan aanzienlijk lager kan zijn. Veel problemen en negatieve berichtgeving kan worden voorkomen door mét in plaats van over ondernemers te praten en samen plannen te maken.

Potentie van terreinen

Investeer eerst gezamenlijk eens in een professionele ondernemersorganisatie en ondernemersbetrokkenheid in het gebied. Zet daarom gewoon samen met ondernemers stappen om de potentie van deze terreinen voor de nieuwe economie te benutten. Neem ondernemers net als burgerparticipatie zeer serieus. In Noord-Brabant worden industriegebieden niet voor niets aangemerkt als ‘Grote Oogst terreinen’. Dat betekent dat de duurzame potentie van deze gebieden groot is. Provincie en gemeente willen vooruit op het gebied van energietransitie, aanpassingen aan klimaatveranderingen, circulaire economie en het verminderen van stikstofuitstoot.

Op industrieterreinen is veel winst te behalen, onder andere vanwege het hoge energie- en grondstoffengebruik en de versteende omgeving. Zo is het energieverbruik vaak meer dan 50 procent van het lokale energiegebruik in een gemeente. In 2050 moeten we 100 procent circulair zijn. Besef dus dat de economie snel veel circulairder wordt en industrieterreinen de vestigingslocaties zijn voor circulaire bedrijven en activiteiten. Er is milieuruimte om circulair te ondernemen, er ligt vaak haven- en logistieke infrastructuur maar in de tussentijd moet er ook gewoon worden gewerkt. Het is dan ook logisch dat er ‘vieze’ bedrijven zitten die milieuruimte innemen, maar tegelijkertijd druk werken aan de circulaire transitie.

Cees-Jan Pen is sociaal geograaf en lector De ondernemende regio aan de Fontys Hogeschool Economie en Communicatie